In regio’s waar de bevolking krimpt, moeten onderwijs en zorg naar de grootste stad in de buurt worden gehaald, betogen Peter Rehwinkel en Frank de Vries.
Sommige gebieden aan de oost-en zuidgrens van Nederland hebben al jaren te kampen met ernstige bevolkingsdaling. Kortgeleden is een Top Team (Jan Mans, Hans Dijkstal) het land in gegaan om in de grootste krimpgebieden (Oost-Groningen, Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen) de zaak te verkennen en adviezen uit te brengen. De resultaten worden opgenomen in een Actieplan Bevolkingsdaling. En dan begint het pas echt. Want dan wacht de zware taak om met een goed doortimmerde aanpak op de effecten van krimp in te spelen. Een aanpak die ettelijke miljarden zal gaan kosten. Alleen al voor Noord- en Oost-Groningen
worden de totale kosten voor de komende jaren becijferd op 0,9 miljard euro.
Naar onze mening moet men zich daarbij niet alleen richten op de krimpregio’s zelf. De effecten van de krimp zijn namelijk in een veel groter gebied merkbaar. Daarom moet een antwoord op de krimp ook breder zijn. Krimp is een vraagstuk waarbij regionale, nationale en zelfs ook internationale aspecten op elkaar ingrijpen. Hoewel de bevolkingsteruggang per krimpregio verschillend uitpakt, is er wel een gezamenlijke
noemer: tal van voorzieningen kunnen niet meer op de huidige manier worden aangeboden. Die voorzieningen variëren van specialistische zorg en voortgezette opleidingen tot schouwburgen. Dit proces is al volop gaande. Een sprekend voorbeeld is een streekziekenhuis dat zich genoodzaakt ziet de kraam- en kinderafdeling te sluiten. Daar zal het niet bij blijven.
De wil van de betrokken gemeenten om de huidige voorzieningen koste wat kost in stand te houden, is begrijpelijk, maar niet altijd reëel. Die inzet is wel reëel als het gaat om een aantal voorzieningen waarbij nabijheid essentieel is, zoals lagere scholen of een aantal basale dagelijkse boodschappen. Maar voor het streekziekenhuis of gymnasium kan dat meestal niet lokaal worden besloten. En voor een schouwburg of een betaald voetbalclub waar wel een stevige gemeentelijke bemoeienis geldt, wordt in een krimpgemeente de bijdrage per hoofd van de bevolking steeds groter. In sommige gevallen te groot.
Juist voor deze voorzieningen geldt dat er een schaalvergroting moet plaatsvinden. Een schaalvergroting die door technische ontwikkelingen en door andere vraagpatronen wordt aangedreven. Een aantal voorzieningen zal daardoor verschuiven naar de grootste kern in de regio. Dit kan geheel verschillend komen te liggen. Als we een denkbeeldige straal van 50 kilometer om de krimpgebieden trekken, dan zal dit voor Zeeuws-Vlaanderen Antwerpen zijn en voor Zuid-Limburg Aken. Voor Noord- en Oost-Groningen komt de stad Groningen in aanmerking, de stadstaat Bremen is te ver weg.
Het is essentieel dat voorzieningen vanuit de krimpregio’s goed bereikbaar zijn. Dit vraagt om blijvende investeringen in het vervoers- en wegennet in deze regio’s. Het gaat om een netwerk dat de
grotere stad en de regio omspant en integreert. Een oudere uit Kerkrade die aangewezen is op specialistische zorg in het ziekenhuis van Aken zal, ook per openbaar vervoer, snel ter plekke moeten
kunnen komen. Het vraagt ook om een nieuwe manier van kijken. Het grootschalig organiseren en vervolgens kleinschalig aanbieden, is zeer goed mogelijk. Een voorbeeld zijn culturele festivals. Evenementen in de stad en afgeleiden daarvan in de regio kunnen daarbij hand in hand gaan. Maar dat zou ook voor samenwerkende ziekenhuizen kunnen gelden. Dit lijkt ons een meer begaanbare weg dan krampachtig te proberen de voorzieningen in het krimpgebied zelf op het huidige niveau te houden. De krimpregio’s hebben ten opzichte van sterk verstedelijkte gebieden in de toekomst ook belangrijke pluspunten. Zij bieden namelijk een omgeving met rust en ruimte en veelal een rijke cultuurhistorie. Stad en platteland, groei en krimpgebieden, hebben elkaar werkelijk iets te bieden.
De krimpaanpak gaat de komende jaren veel tijd en energie kosten. Dit onderstreept de noodzaak om als gemeenten, rijk en provincie gezamenlijk slimme strategieën te ontwikkelen die het regionale overschrijden. Bij een dergelijke inzet is het soms zaak over de eigen (regionale en nationale) schaduw heen te springen.
Peter Rehwinkel is burgemeester van Groningen. Frank de Vries is wethouder Ruimtelijke Ordening van de gemeente Groningen.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in de Volkskrant


Ik zie het al voor me. Geen jeugd meer op de fiets richting het WP in Veendam, want de school is naar ‘de stad’ verhuisd. Bussen vol met ouderen onderweg naar de Euroborg om hun boodschappen te doen. Kilometerslange wachtlijsten op het UMCG als gevolg van sluiting regionale ziekenhuizen. Een uitgestorven Gronings land.
Krimp is een probleem, daar is iedereen het wel over eens. Laten we het oplossen, het aanpakken. De kansen ervan zien.
Laten we het niet versnellen.
Want versnellen van het probleem is precies dat wat gaat gebeuren als dhr. Rehwinkel zijn plannen kan verwezenlijken. Want hij kan toch niet serieus menen dat het uithollen van het ‘platteland’ bij zal dragen aan beperking van de bevolkingsdaling van de regio?
Inventiviteit van regionale overheden in Oost-Groningen wordt met de door Rehwinkel ingeslagen weg direct monddood gemaakt. Als dit de teneur is binnen de Groninger PvdA, dan verbaasd het me eigenlijk niets dat er nee is gezegd tegen het FOC in Zuidbroek. Stel je voor dat krimp wordt tegengegaan!
Laten we ons toch op provinciaal en gemeentelijk niveau hard maken voor instandhouding van bestaande voorzieningen. We willen toch dat de jeugd van het Groningse land gaat houden? Dan moet je ze niet als Brugklasser de stad in willen jagen.
Geef inventiviteit een kans.
Natuurlijk ligt er voor de bewoners van de krimpregio een schone taak om actief deel te nemen aan het leven in de dorpen en grote kernen zoals Veendam, Delfzijl, Stadskanaal enz. Lokaal de inkopen doen in plaats van bij de grote supermarkten in de grote stad, betrokken zijn bij de lokale politiek en actief meedoen in het verenigingsleven.
Ik ben er van overtuigd dat de kracht van de regio, mits dergelijke ontmoedigingspolitiek achterwege blijft, het krimpprobleem zal overwinnen.
Wederom een signaal van de randstadmegalomanie; alles naar het centrum (van de macht). Wat mij bijzonder stoort in dit soort hoofdloopstukken is het gebrek aan lateraal denken. Een weigering om anders te durven kijken, laat staan anders te denken of te doen.
Waar nooit over wordt geschreven is de aan de mens inherente eigenschappen: kudde- of stamdier, overzicht op de leefomgeving, (h)erkenning en behoefte aan rust, regelmaat en reinheid.
Vraag 100 mensen in wat voor huis ze willen wonen en de behoefte aan een vrijstaande woning met minimaal een parkeerplaats op eigen terrein, stukje grond en een aangename prijsstelling. Er zijn ook mensen die graag in een stad wonen, maar tegelijkertijd klagen over parkeertarieven (als er al plaats is), enorm hoge huur of woningprijzen en een vervreemding van de buren en de buurt. En uiteraard het gebrek aan veiligheid doordat niemand zich echt bemoeit met de buurt en de buren.
Mijn stelling is dus dat we de grote steden moeten ontmantelen, “overheids” faciliteiten efficient maar mens-schalig aanbieden op gebieden waar bezoekers hun auto kunnen parkeren (of eindelijk zorgen voor goed én betaalbaar OV) en door de spreiding van allerlei andere diensten (winkels, buurt supers, outlet centra, wandelparken en speelplassen) de stadsbewoners redenen bieden om het buitengebied te verkennen, te genieten en mede in stand te houden. Of om er te gaan wonen, in het groen, met buren die je kennen.
De kans dat de auteurs mij benaderen ligt waarschijnlijk op het niveau van de elfstedentocht dit jaar, maar ik zou graag de discussie aangaan over de integratie van stad en land, het nieuwe ontgrijzen?
Het ontmantelen van de grote steden gaat mij wat ver, maar voor het overige wordt ik best blij van de reactie van jpelverding.
Dat kan wat mij betreft dus een vruchtbare discussie worden met in ieder geval de auteur van de eerste reactie op het titelstuk!